Duncan-De Hoekse en Kabeljauwse Twisten
Uit Lorentz
Inleiding
Het begin
De slag bij Warns
Willem IV was vanaf 1337 de graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen. Net als zijn voorouders, ging hij op veldtocht tegen de Friezen. Hij vertrok in de herfst van het jaar 1345 vanuit Enkhuizen.
Ook Willems oom Jan van Beaumont vertrok met een leger uit Enkhuizen. Hij zou Friesland vanuit het zuiden, op de plek waar nu het Noorderstrand ligt, aanvallen. Willems leger zou ten oosten van Staveren aan wal gaan. Ze zouden dus Staveren van twee kanten insluiten.
Willem had als plan om het Sint-Odulphus klooster in Staveren als fort te gebruiken. Veel werklieden gingen mee om het klooster tot een fort om te bouwen.
Op 26 September 1345 kwamen Willem IV en zijn leger aan wal. In plaats van Staveren aan te vallen, vielen ze het dorpje Laaxum aan. Willem kwam erachter dat Laaxum verlaten was. Om te laten zien dat hij bij Laaxum aangekomen was, liet Willem zijn leger het dorpje in brand steken.
Nadat ze het dorpje in brand hadden gestoken, trokken ze richting Warns. Dit was een zware tocht, want de ridders hadden geen paarden om te berijden. Toen de ridders in Warns aankwamen, zagen ze dat dit dorpje ook verlaten was. De ridders staken ook dit dorp in brand. Als de bewoners van Warns in Staveren waren om tegen Jan van Beaumont te vechten, zouden ze wel terugkeren als ze zagen dat hun dorp afbrandde.
Maar de bewoners van Warns waren niet in Staveren. Opeens kwamen ze tevoorschijn. Ze waren overal. Met zeisen, hooivorken en andere landbouwwerktuigen vielen ze de ridders aan. De Hollandse ridders waren niet opgewassen tegen de woedende menigte boeren die op hun afstormde. De ridders waren niet voorbereid op een gevecht na die zware tocht naar Warns. Ze konden nog maar naar één plek vluchten; de Ferkearde wei. Het was een weggetje die door een moerassig gebied naar de Rode Klif leidde. Willem vluchtte met zijn mannen over de weg. Maar de Friezen gingen achter hun aan, en in het moeras werd het eens zo machtige leger verslagen. Ook graaf Willem kwam om.
Precies op dat moment was Jan van Beaumont de laatste mannen in het Sint-Odulphus klooster aan het verslaan toen een spion kwam vertellen dat graaf Willem dood was. De soldaten vluchtten snel naar de boten toe omdat ze verwachtten dat de Friezen nu naar hun toe zouden komen. De Friezen kwamen bij het strand aan en renden het leger van Jan van Beaumont achterna. Ze trokken de meeste boten om en bijna geen enkele ridder kwam terug in Amsterdam. Jan van Beaumont overleefde het.
Strijd om de macht
Maar wie moest er nu graaf worden? Willem V had geen kinderen nagelaten. De keizer van het Heilige Roomse Rijk (waar Nederland in die tijd bij hoorde) beleende zijn vrouw Margaretha – die ook de zus van graaf Willem was – met Holland, Zeeland en Henegouwen. Op 26 Maart vertrok Margaretha naar haar nieuwe gebieden. Maar al snel werd ze door haar man teruggeroepen en benoemde ze haar 16- jarige zoon tijdelijk tot graaf. Toen haar man in Oktober 1347 stierf, zei ze tegen haar zoon dat hij graaf mocht blijven als hij een uitkering van 16.000 Gulden betaalde en per jaar nog eens 6.000 Gulden. Willem ging op 5 Januari 1349 akkoord met het voorstel. Maar niet iedereen was het hiermee eens, veel mensen vonden dat Willem V graaf moest worden zonder geld te betalen. Die mensen vonden ook dat Margaretha geen gravin mocht zijn omdat ze een vrouw was. Zij noemden zichzelf de Kabeljauwen. Een kabeljauw is een vis. Er waren ook mensen die vonden dat Margaretha gravin moest blijven. Zij noemden zichzelf de Hoeken. ‘Hoek’ is Oud-Hollands voor ‘vishaak’. Er begon een burgeroorlog die de naam de Hoekse en Kabeljauwse Twisten zou krijgen. De Hoekse en Kabeljauwse Twisten zouden ongeveer honderd jaar voortduren.
De slag bij Naarden
In 1350 zou Wolfert Van Borselen een staatsgreep uit moeten voeren zodat Willem geen geld hoefde te betalen aan Margaretha. Wolfert zou de staatsgreep uitvoeren wanneer Margaretha weg was. Maar Margaretha kwam onverwacht terug in Holland. Willem dacht dat hij had gefaald en stopte met de staatsgreep. Maar de Kabeljauwen gaven niet op en tekenden op 23 Mei 1350 de Kabeljauwse Verbondsakte in kasteel Nijenroode. Onder andere de edelen Jan I Van Egmont, Gerard Van Heemskerk, Jan IV Van Arkel en Gijsbrecht II Van Nijenroode ondertekenden de Verbondsakte.
De Hoeken tekenden op 5 September 1350 de Hoekse Verbondsakte. Rond eind Mei 1350 wilde Margaretha de stad Naarden aan de Zuiderzee aanvallen. De stad werd bestuurd door Jan van Egmont, een Kabeljauw. Margaretha viel de stad aan met 1200 manschappen onder leiding van Koenraad Cuser, heer van Hekeren en 600 tot 800 Utrechtse huurlingen onder leiding van Frederik van Eese. Frederik van Eese was gestuurd door de bisschop van Utrecht. De bisschop steunde de Hoeken omdat de bestuurder van Naarden, Jan I van Egmont, in 1345 Utrecht in de steek had gelaten en grotendeels had laten verhongeren.
In de veldslag werden de Kabeljauwen verslagen. Jan I van Egmont, zijn (nog levende) soldaten en de bewoners van Naarden moesten de stad uitvluchten. Het leger van Koenraad Cuser brandde Naarden plat en de resten van de stad werden door de zee weggespoeld. In Februari 1351 werd Willem V ontvoerd door de Hoeken en in Delft gevangen gezet.
Overwinning voor de Kabeljauwen
De slag bij Zwartewaal
Terwijl de Kabeljauwen door het hele land zegevierden probeerde Margaretha om de Engelsen aan haar kant te krijgen. Ze leende geld van de Engelse koning, die met haar zus Fillipa van Holland was getrouwd. Met dat geld huurde ze soldaten in om haar zoon te stoppen.
En dan is het moment er; Margaretha en Willem bestrijden elkaar op 3, 4 en 5 Juli van het jaar 1351. Op de Maas vond de slag bij Zwartewaal plaats.
Margaretha liet een invasievloot komen op de Maas vanuit Engeland, waarop Willem V met een vloot het leger van Margaretha tegemoet kwam. De edelman Dirk van Brederode kwam Margaretha te hulp met een leger.
Maar Willem V overwon de troepen van zijn moeder en nam Dirk van Brederode gevangen. Volgens de overlevering kleurde de Maas voor drie dagen rood van het bloed tijdens de veldslag.
Dit schreef iemand in een oude kroniek over de veldslag:
'Daar kwam heer Diederik van Brederode met veel ridderen ende knechten om zijn rechte Lands-Vrouwe te helpen; daar kwam het tot zware strijd, overmits dat daer enxtelick wert gevochten ende veel volcx doot bleef aan beyden seyden. Ende Diederik van Brederode, die niet wijcken en woude, werd daar gevangen met vele goede ridderen ende knechten.'
Uit: Geschiedenis van de lage landen
In den beginne
Jaap ter Haar, 2006
Vrede
Kort na de veldslag loopt de koning van Engeland, Eduard III, over van de kant van Margaretha naar die van Willem. Als teken van vriendschap met Engeland huwt Willem de dochter van de raadgever van de Eduard III in 1352.
Willem was bezig om alle kastelen en vestingen in West-Friesland te veroveren
Twee jaar later sloot Willem vrede met zijn moeder. De edelen die Margaretha gesteund hadden, mochten terugkeren naar hun kastelen en landhuizen. In 1356 stierf Margaretha. Daarom erfde Willem ook Henegouwen, het bezit van Margaretha.
Albrecht wordt graaf
Op een feest in 1358 hield Willem V een toespraak. Plotseling stak hij een raadsman, Gerrit van Wateringen, dood. Willem V was krankzinnig geworden (of dronken). Zijn vrouw Machteld van Lancaster en zijn broer Albrecht van Beieren lieten hem opsluiten in kasteel Le Quesnoy. Albrecht van Beieren nam de macht over en werd graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen. Willem V verbleef dertig jaar in kasteel Le Quesnoy, totdat hij op 15 Juli 1389 stierf.
Graaf Albrecht benoemt Hoeken en Kabeljauwen tot leden van een commissie die hem helpt regeren. Een tijdje is het rustig, maar plotseling beginnen de vechtpartijen tussen de Hoeken en de Kabeljauwen weer.
Het was eind 1359. De pas benoemde baljuw van Kennemerland, Reinoud van Brederode, werd in een hinderlaag gelokt door een paar Kabeljauwen. Hij kon nog maar net ontkomen en reed op zijn paard naar een kerk toe. Hij bleef daar wachten op hulp. De Kabeljauwse mannen vluchtten naar het slot van de heer van Heemskerk in Delft. Waarschijnlijk had de heer van Heemskerk Reinoud van Brederode willen vermoorden!
Graaf Albrecht beval de Hoekse heer van Polanen om slot Heemskerk te belegeren en de daders van de aanval te arresteren. Maar toen Albrecht terugkeerde naar Holland, hoorde hij dat enkele edelen samen met opstandige Delftenaren een aantal Hoekse burchten aan het belegeren waren. Graaf Albrecht besloot om Delft te belegeren. Samen met zijn hofgezant Gerard van Heemstede ging hij naar Delft toe. Na een lange belegering gaf Delft zich over. Delft moest een boete van 60.000 schilden (geld uit de Middeleeuwen) betalen en de stadspoorten en stadsmuren van de stad afbreken. Volgens de legende moesten alle mannen van Delft helemaal naar Den Haag lopen terwijl ze met zwepen geslagen werden. Daarna moesten de vrouwen van Delft op blote voeten ook helemaal naar Den Haag lopen en smeken om hun mannen niet te doden.
Na die gebeurtenis waren de Hoekse en Kabeljauwse twisten 33 jaar lang gestopt. Albrecht bracht zijn gebieden die jaren welvaart. Hij begon in Dordrecht een opslagplaats voor de Hanzesteden (bepaalde steden in Duitsland, Nederland, Lijfland en Zweden die lid waren van het Hanzeverbond en handel met elkaar dreven) en gaf de Hollandse steden ook macht.
De Hoekse en Kabeljauwse twisten beginnen opnieuw
Graaf Albrecht was geschokt toen hij hoorde dat zijn maîtresse, Aleid van Poelgeest, op 22 September 1392 in Delft was doodgeslagen, samen met de hofmeester van de graaf, Willem Cuser. Tweeëndertig Hoekse edelen worden verbannen omdat zij met de moord te maken hadden. Hun huizen en kastelen werden platgebrand en hun gebieden afgepakt. Ook Willem van Oostervant, de zoon van graaf Albrecht had meegedaan aan de samenzwering. Hij kreeg daarentegen geen straf.
Een paar jaar later mochten de meeste Hoekse edelen weer naar hun gebieden terugkeren. Willem van Oostervant, de zoon van graaf Albrecht, wilde een kruistocht naar Hongarije en Turkije organiseren en vertelde het aan zijn vader. Albrecht vond het geen goed idee. Hij vond dat zijn zoon beter Friesland, dat hen toebehoorde, kon veroveren. Geïnspereerd door wat zijn vader zei, ging Willem van Oostervant vier keer op veldtocht tegen Friesland. De mannen van Willem van Oostervant trokken plunderend door Friesland. Na die veldtochten komen de Schieringers (de Friezen waren verdeeld in Schieringers en Vetkopers. De vetkopers hielpen de Hollanders bij de veldtochten) in opstand. Ze gooien de Vetkopers en Hollanders het land uit. Daarna veroveren de Vetkopers Groningen en trekken van daaruit Friesland in. Ze plunderen en steken steden in brand.
De Schieringers vroegen de Kabeljauwen in Holland om hulp. Hulp kwam er niet.
De Arkelse oorlog
Jan van Arkel was erg machtig. Hij bestuurde een groot gebied. In 1401 wilde hij graaf Albrecht niet meer dienen, en hij begon een oorlog om het graafschap Holland te veroveren. Hij belegerde de stad Oudewater in Holland. Toen die belegering mislukte, trok hij naar het kasteel van Giessenburg en stak dat in brand.
Graaf Albrecht was ziek en kon niks terugdoen. Zijn zoon viel daarom de gehuchten Hoornaar en Meerkerk in Arkel aan als wraak op Jan van Arkel. Daarna deed Jan van Arkel een flankaanval, die tot de slag bij Noordeloos leidde. Het leger van Willem van Oostervant moest terugtrekken naar Holland. Na die gebeurtenis ging Albrecht brieven sturen naar het bisdom Utrecht en de steden Dordrecht, Gouda en Oudewater. Hij vroeg hen of ze hem wilden steunen in zijn oorlog tegen Jan van Arkel. Ze stemden toe. Ook het hertogdom Gelre en het graafschap Kleef wilden Albrechts bondgenoten zijn. Met een leger van ongeveer 6.000 man belegerden ze Gorinchem, de zetel van Jan van Arkel. Ongeveer honderd mannen van graaf Albrecht en zijn bondgenoten werden gedood of gevangen genomen. Uiteindelijk stopte de belegering omdat graaf Albrecht naar Den Haag moest. Daarna vond Albrecht het wel genoeg en hij viel Jan van Arkel niet meer aan.
In 1404 stierf graaf Albrecht. Zijn zoon Willem van Oostervant volgde hem op. Hij werd Willem VI. Onder zijn bewind mochten alle edelen die schuldig waren aan de moord op Aleid van Poelgeest terugkeren naar hun gebieden. De man die Aleid van Poelgeest doodgeslagen had, Hugo de Blote, werd zelfs de klerk van graaf Willem VI.
Nu Albrecht dood was, wilde Willem VI weer oorlog met Jan van Arkel. In 1404 begonnen Willem VI en zijn leger samen met het leger van Utrecht Arkel te plunderen. Er kwam hongersnood in Arkel. Maar Jan van Arkel weigerde om zich over te geven. Hij sloot in 1409 een verbond met het hertogdom Gelre. Daarom verklaarde graaf Willem VI het hertogdom Gelre de oorlog. Hij viel een paar keer Gelre en Arkel aan, maar in 1411 sloten Albrecht en Jan van Arkel en de hertog van Gelre vrede.
Jan van Arkel was blut geworden door de oorlog en moest het land van Arkel verkopen aan Willem VI. Hij liet het hier niet bij zitten en viel een Hollands legertje aan. Jan van Arkel verloor en moest vluchten. In Vuren te Brabant werd hij gevangen genomen. Jan sleet de rest van zijn leven in een gevangenis te Gouda, waar hij stierf.
Jacoba van Beieren
In 1417 stierf graaf Willem VI aan een ontstoken hondenbeet in zijn been. Zijn dochter Jacoba van Beieren volgde hem op. Zij werd de gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Maar haar oom, Jan VI van Beieren, prinsbisschop van Luik, vond dat hij recht had op die gebieden, omdat hij de zoon van Albrecht van Beieren was.
Jan IV van Beieren, ook wel Jan Zonder Genade genoemd, trouwde plotseling met Elisabeth van Görlitz, een nicht van keizer Sigismund van het Heilige Roomse Rijk, en hertogin van Görlitz en Luxemburg.
Keizer Sigismund beleende Jan Zonder Genade met Holland. Jacoba werd gravin van Zeeland en Henegouwen.
De strijd om Holland, Zeeland en Henegouwen tussen Jacoba en haar oom Jan was begonnen. De Hoeken steunden nu Jacoba en de Kabeljauwen steunden Jan Zonder Genade.
In 1418 trouwde Jacoba met haar neef Jan IV van Brabant. Maar Jan IV kon zijn schulden niet betalen en verpandde Zeeland en Henegouwen voor twaalf jaar aan Jan Zonder Genade.
Jacoba was woedend. Ze liet haar huwelijk ongeldig verklaren en vertrok naar Engeland. Daar trouwde ze in 1422 met Humphrey Plantagenet van Gloucester, regent van Engeland en hertog van Gloucester.
Jacoba en Humphrey vertrokken naar Henegouwen om te vechten tegen Jan IV, de vroegere man van Jacoba, die gesteund werd door Jacoba's neef Filips de Goede (ook wel Filips van Bourgondië genoemd). In November 1424 trok een leger op veldtocht door Henegouwen. Het leger was gestuurd door Humphrey.
Het Engelse leger bestond uit 3.000 ridders te paard en 3.000 soldaten te voet. De soldaten trokken door heel Henegouwen, maar alle Henegouwse steden stonden aan Jacoba's kant.
Jan IV van Brabant verzamelde echter een leger in de stad Nyvel in Henegouwen. Het leger bestond uit 2.400 Brabantse huurlingen.
Humphrey van Gloucester en Filips de Goede zouden in een duel tegen elkaar vechten, dus ging Humphrey terug naar Engeland en liet Jacoba alleen achter in Henegouwen. Eind April zei Humphrey in een brief dat hij zich terugtrok uit het duel. Toch bleef hij in Engeland.
Jacoba wilde zich gaan vestigen in het gebied bij Gouda, Schoonhoven en Oudewater. Schoonhoven stond onder leiding van Jan IV van Brabant, en ze wilde de stad belegeren. Op 26 Maart 1425 viel ze de stad aan. Doordat er ziektes en hongersnood uitbraken in de stad gaven de burgemeesters, Willem van den Koulster en Albrecht van Beilingen, zich over. Er waren wel nog een aantal Kabeljauwse ridders die in de Bartholomeuskerk verstopt zaten, maar die werden van de kerktoren afgegooid. Omdat Albrecht van Beilingen een keer een Hoeks slot in brand had laten steken werd hij levend begraven.
Nu had Jacoba het gebied bij Schoonhoven, Gouda en Oudewater in haar macht.
Jan van Brabant beloofde veel steden in Holland privileges als ze hem steunden en langzaam koos Henegouwen zijn kant. Daarna belegerde hij Bergen, waar Jacoba verbleef, en Jacoba gaf zich over. Ze werd in het Gravensteen te Gent gevangen gezet. Humphrey deed vervolgens niks om haar te bevrijden.
De ontsnapping
In Januari 1425 stierf Jan Zonder Genade, prinsbisschop van Luik, en graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen door vergiftiging. Jan IV, de vroegere echtgenoot van Jacoba erfde Holland, Zeeland en Henegouwen. Dat kwam omdat de paus het huwelijk tussen Jacoba en Jan later tóch geldig verklaard. Maar Jan IV gaf zijn gebieden aan Filips van Bourgondië.
In Augustus 1425 ontsnapt Jacoba uit het Gravensteen in Gent. Jacoba en haar kamenierster verkleedden zich als mannen en de edelmannen Alard Spiering en Dirk van de Merwede kochten de bewakers om. Ze vluchtten via Breda en Woudrichem naar Vianen. In heel Europa vertelde men over Jacoba van Beieren die aan Filips de Goede ontsnapte!
Jacoba wilde Filips de Goede verzwakken. Daarom trok ze vanuit Gouda naar Gouwersluis bij Alphen aan den Rijn. Daar vond de slag bij Alphen aan den Rijn op 21 Oktober 1425 plaats.
Jacoba had haar eigen leger meegenomen, maar ook een leger uit het Sticht Utrecht en legers uit de steden Leiden, Haarlem en Amsterdam steunden haar. Ze versloeg de soldaten van haar vijand Filips en nam de banier van Gouwersluis mee.
De slag bij Brouwershaven
Plotseling bereikte het nieuws dat Humphrey van Gloucester een leger stuurde Jacoba. Humphrey stuurde een leger van 1.200 ruiters en mannen te voet en 500 boogschutters naar Brouwershaven in Zeeland. Humphrey zelf ging niet mee, daarom stond het leger onder leiding van Henry Filwater. Maar Jacoba was niet de enige die het nieuws hoorde. Ook de boodschappers van Filips van Bourgondië brachten het bericht.
Filips trok met vele Kabeljauwse ridders uit Dordrecht, Leiden, Delft, Den Haag, Vlaanderen en boogschutters uit Bourgondië naar Brouwershaven. Hij wilde niet dat het Engelse leger Jacoba bereikte. Ook Jan IV van Brabant begeleidde hem.
Toen het leger van Filips in Zeeland aankwam, hield het leger van 1.500 Zeeuwen dat aan Jacoba's kant stond hen niet tegen. Het leger was daarheen getrokken om Jacoba en de Engelsen te hulp te komen. De Zeeuwen hoopten dat ze samen met de Engelse vloot die eraan kwam het leger van Filips toch wel konden overwinnen.
Toen de Engelsen eraan kwamen, werden ze beschoten met kruisbogen. Het goed getrainde leger van Humphrey beantwoordde die aanval door met langbogen te schieten. De Bourgondiërs raakten even in paniek. Toen besloten ze om man tot man gevechten aan te gaan, waar ze veel beter in waren.
Het leger van Humphrey kon onmogelijk stand houden en ze trokken zich terug naar een dijk toe. Daar werden de Engelsen omsingeld en afgeslacht. Slechts 500 man van de 3.200 Engelse soldaten wisten met een paar boten te ontkomen, samen met hun aanvoerder, Henrey Filwater. Floris III van Haamstede, die de Zeeuwen aanvoerde, werd in Brielle gevangengezet. Zijn rechterhand Johan van Renesse werd gedood tijdens de veldslag.
Bij de Kabeljauwen werd één van de aanvoerders, Jacob van Borsselen, gedood in de veldslag. Filips de Goede werd bijna vermoord.
Opstand van de Kennemerboeren
Na die veldslag hoorde Jacoba dat Haarlem, dat eerst aan haar kant stond, overgelopen was naar Filips van Bourgondië. Jacoba besloot om de stad een kopje kleiner te maken.
In Kennemerland was al een opstand bezig, en toevallig vielen de Kennemers ook de stad Haarlem aan. Jacoba kwam ze te hulp.
Het beleg duurde een paar maanden. Jacoba vernam dat Filips een leger van 800 Vlamingen stuurde om Haarlem te helpen, dus Jacoba trok weg met haar leger. Ook een reden voor het staken was dat één van de soldaten melaats was. De soldaat bleek een spion van Filips te zijn en hij werd aan de hoogste boom bij kasteel Heemstede opgehangen.
Jacoba trok met haar leger weg van Haarlem, omdat het Vlaamse leger, onder leiding van Jan van Uitkerken, nu niet naar Haarlem toe ging, maar naar Alphen aan den Rijn om dat te heroveren. Jacoba ging naar Alphen toe, want ze wilde die strategische stad behouden.
Net op tijd kwam ze aan, op 30 April 1426, en ze ging de strijd aan met de Vlamingen. Met de hulp van de boogschutters uit de omgeving overwon ze het leger en haar soldaten doodden bijna 600 Vlaamse huurlingen. Jacoba gaf de boogschutters uit de buurt een miskelk als dank omdat zij haar geholpen hadden.
De opstand in Kennemerland duurde voort. De opstand van de boeren van Kennemerland was begonnen vanwege de hoge belastingen en de hongersnood die was ontstaan na de mislukking van de oogst door de warme zomer. Duizenden boeren trokken door het land terwijl ze huizen en kerken plunderden, en zelfs steden belegerden.
Eind Juli trok Filips de Goede naar Alkmaar, dat belegerd werd. De boeren hadden de stad in brand gestoken. Filips verjoeg de boeren, maar ondanks dat brandde driekwart van de stad af.
De opstandelingen, onder leiding van Willem Nagel, trokken naar Hoorn. Filips ging met 20.000 man Willem Nagel achterna.
De opstandelingen belegerden Hoorn en probeerden via de noordoostelijke stadspoort binnen te komen. Filips arriveerde, en er kwamen nog 1.500 Kabeljauwen onder leiding van Jan de Villers. Filips en Jan de Villers versloegen een paar honderd boeren bij de stadspoort.
Het boerenleger had geen enkele kans om te winnen, want de legers van Filips en Willem waren met ongeveer twee keer zoveel soldaten, en de boeren waren niet getraind.
Filips gaf zijn boogschutters het bevel om de boeren te beschieten. Vele boeren kwamen daar bij om, en ook Willem Nagel werd dodelijk getroffen door een pijl. De boeren sloegen op de vlucht. Het leger van Filips ging de Kennemers achterna, en bijna alle boeren werden gedood. De boeren die niet omkwamen bij de veldslag werden op 13 September 1426 opgehangen in Amsterdam.
De Zoen van Delft
In September 1427 ging Willem van Brederode op bevel van Jacoba van Beieren naar het noorden varen om de steden daar weer aan hun kant te krijgen. Willem vaarde eerst naar Texel, waar het lukte, en daarna naar Wieringen.
Een paar Kabeljauwse steden, waaronder Amsterdam, Enkhuizen en Hoorn kwamen er echter achter, en stuurden een paar schepen om van Brederode gevangen te nemen. Bij Wieringen werd Willem ingesloten. Willem en zijn bemanning gingen een gevecht aan met de vijandelijke stedelingen, maar verloren. Willem van Brederode en de 80 (nog levende) bemanningsleden werden naar Enkhuizen gebracht. Daar werden ze onthoofd, behalve Willem, omdat hij van adel was. Hij werd ook niet gevangen genomen.
Jacoba werd nu bijna alleen nog maar gesteund door Zevenbergen, Gouda, Oudewater en Schoonhoven. Het leek erop dat ze de strijd ging verliezen.
Filips wilde naar Gouda marcheren, maar voor hij dat kon doen moest hij eerst Zevenbergen innemen. Hij had vernomen dat de inwoners van Zevenbergen handelaars hun waar inpikten en hun hoge tol lieten betalen. Hij trok dus met ongeveer 10.000 man in December 1427 naar de stad toe.
Na een lange belegering van vier weken had Filips er genoeg van. Hij zei daarom tegen de heer van de stad, Gerrit van Strijen, dat hij hem een grote hoeveelheid geld zou geven als hij neutraal werd. Maar Gerrit van Strijen stemde niet toe omdat hij verwachtte dat Jacoba en keizer Sigismund hem wel te hulp zouden komen.
Veertien weken lang werd de stad Zevenbergen beschoten, tot uiteindelijk Gerrit van Strijen zich toch overgaf. Dat was omdat er hongersnood uitgebroken was in de stad en omdat zijn soldaten te vermoeid waren om door te kunnen vechten.
Gerrit werd voor tien jaar in de gevangenis van Rijssel gegooid. De stadsmuren van Zevenbergen en slot Zevenbergen werden bijna helemaal afgebroken.
Na de slag bij Zevenbergen trok Filips van Bourgondië naar Gouda, waar Jacoba verbleef. In Mei 1428 viel hij de stad aan. Jacoba's enige bescherming was een vloot bij de stad onder leiding van Willem van Brederode.
Het leger van Filips was te groot om te verslaan en na een maand gaf Jacoba zich over.
Op 3 Juli 1428 ondertekende Jacoba van Beieren de Zoen van Delft. Ze sloot vrede met Filips.
Dit waren de voorwaarden:
van Holland en Zeeland.
- Filips van Bourgondië werd ruwaard van Holland Zeeland en Henegouwen, waarmee hij de echte macht in die graafschappen kreeg, en hij werd opvolger van Jacoba.
- Jacoba mocht niet meer trouwen, tenzij Filips haar daar toestemming voor gaf.
- Niemand mocht de woorden 'Hoek' en 'Kabeljauw' nog uitspreken.
- De Kabeljauwse Frank van Borsselen werd stadhouder van Holland.
- Jacoba kreeg een deel van de inkomsten van Holland, Zeeland en Henegouwen.
Door dit verdrag waren de Hoekse en Kabeljauwse twisten tijdelijk gestopt.
In 1432 trouwde Jacoba in het geheim met Frank van Borsselen, heer van Borsselen en graaf van Oostervant. Daarmee schond ze de Zoen van Delft. Toen Filips erachter kwam, liet hij Frank van Borsselen gevangen zetten. Frank van Borsselen kwam pas vrij toen Jacoba op 12 April 1433 afstand deed van haar titel als gravin van Holland en Zeeland. Nu was Filips hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg, Neder-Lotharingen en Lothier en graaf van Holland, Zeeland, Henegouwen, Vlaanderen, Artesië en Franche Comté.
Jacoba trok zich terug op haar kasteel, slot Teylingen, (tegenwoordig in de stad Voorhout) en in 1434 trouwde ze opnieuw (met de toestemming van Filips) met Frank van Borsselen.
In de zomer van 1436 kreeg Jacoba opeens tuberculose. Op 9 Oktober stierf ze. Ze liet kasteel Teylingen na aan Frank van Borsselen, maar hij nam het niet aan omdat hij dan ook Jacoba's schulden moest betalen. Ze had 3512 pond schuld. Waarschijnlijk werd Jacoba begraven in de Hofkerk van Den Haag, waar tegenwoordig de regeringsgebouwen staan.