Gijs
Uit Lorentz
Inhoud |
Weekopdracht 1
Zebra en Paard
De weekopdracht van deze week was een opstel maken over twee dieren die dezelfde voorouders hadden en hoe ze dan uit elkaar kwamen.
Ik denk dat de zebra en het paard dezelfde voorouders hebben omdat ze heel erg op elkaar lijken en familie zijn. De voorouders van de paarden en de zebra's leefden ongeveer 54 miljoen jaar geleden. dat was de hyracothetrium, Een klein hondachtig dier dat in de bossen van Amerika en Noord-Europa leefde. Hij had kleine hoeven, tewijl de meeste hondachtige dieren klauwen hebben. De afstammelingen hebben zich verder ontwikkeld en zich aangepast aan de omgeving tot de paardenfamilie. Daar hoort dus ook de Zebra bij. Al die verschillende paarden hebben zich aangepast. De Zebra heeft strepen gekregen omdat hij dan beschermd wordt voor de Leeuw. Leeuwen zien alles in zwart-wit en dan zijn de zebra's dus moeilijk te onderscheiden. De strepen zorgen ook voor verkoeling. De zwarte strepen neemt het zonlicht en de witte kaast het weg. Er ontstaat dan een soort wind door deze verschillen om de zebra waardoor die afkoelt. Ook de paarden hebben zich aangepast aan hun werk voor mensen of aan hun leefomgeving. Denk maar aan het Belgisch trekpaard, nog groter en sterker geworden door het werk op het platteland. Alle paarden zijn verschillend. Dit was het 1e ingrediënt van de evolutietheorie. Variatie binnen een soort.
De zebra heeft veel vijanden. Zo heb je de Leeuw, de ergst vijand van de Zebra. Maar gelukkig had de zebra nog een schutkleur. Maar de Zebra heeft nog meer vijanden. Zoals de Krokodil, Panter, Hyena en wilde Honden. Alleen de Krokodil eet nog volwassen op. De andere jagen meer op kleintjes. Ook voor de mens moet de Zebra oppassen. Daarom staan er elke keer als ze gaan slapen een paar Zebra's op de uitkijk. Dit was het 2e ingrediënt van de evolutietheorie. Alle planten en dieren hebben een zwaar leven.
De paarden en zebra's geven dan hun goede eigenschappen over. En dan degene van de jonkies die de beste goede eigenschappen hebben gekregen, kunnen dan overleven. Bijvoorbeeld de Zebra's met de beste strepen. Of met andere goede eigenschappen waarmee ze kunnen overleven. Dit werkt ook zo bij paarden. De eigenschappen worden overgegeven. Dit is het 3e ingrediënt van de evolutietheorie. Overerving
Weekopdracht 2
Weekopdracht 3
Eeneiige en tweeeiige tweelingen.
Deze weekopdracht ging over eeneiige en tweeeiige.
Eeneiige tweelingen.
35% van de tweelingen is eeneiig. Dit betekent dat de tweeling in hetzelfde eicel heeft gezeten. Dat eicel splitst zich dan in tweeën. Eeneiige tweelingen hebben dan ook precies dezelfde dingen overerft.
Weekopdracht 4
Van kruidenier tot supermarkt.
De weekopdracht van deze week was een opstel schrijven. Je kon verschillende dingen kiezen, en ik koos voor van kruidenier tot supermarkt.
Er word al heel lang gehandeld in levensmiddelen. Eigenlijk altijd al. In de romijnse tijd waren er markten en kraampjes. In de middeleeuwen waren er ook al markten. In de gouden eeuw werden er veel spullen en levensmiddelen ierheen gehaald. Allemaal producten. Tabak, koffie, thee en kruiden. allemaal verkooplieden verkochten die specerijen. veel reizende verkooplieden reisden van plaats naar plaats. Toen gingen ze op een vast verkooppunt staan en zo ontstonden er langzaam kruidenierswinkeltjes. Toen er kruidenierswinkeltjes waren noemden ze dat nog 'de Cruidernier'.
In de 19e eeuw kwam er een nieuwe tijd; de industriële tijd. In die tijd kwamen veel boeren naar de steden om werk te zoeken. Er kwamen toen meer kruideniers en in de fabrieken werden meer en sneller spullen gemaakt. Er komen ook steed meer producten uit de fabrieken. Veel producten worden beter gemaakt of vervangen. zwavelstokken (stokken met licht ontvlambaar spul. zwavel dus). worden lucifers en schuurzand is schuurmiddelen geworden. Er zijn ook nieuwe producten gekomen zoals zeep, hagelslag, pindakaas, tandpasta, limonadesiropen, macaroni en nog ander eten en spullen. Er zijn dus verpakte artikenlen gekomen (met of zonder merk) en de kruidenier is al een stapje verder naar de supermarkt. De kruidenier krijgt al een andere kijk van de mensen. Kruideniersverkopers met een vooruitziende blik gaan hun winkel groter maaken zoveel mogelijk buiten de groothandel om. Dat is dan het begin van een grootwinkelbedrijf (GWB). Dit word uiteindelijk de supermarkt die we vandaag nog kennen. De kleinere kruideniers gaan op zoek naar samenwerking met andere kleine winkeliers. Zo proberen ze overeind te blijven staan tegenover hun grote concurentie.
De aankleding (hoe de winkel er uit ziet) van de winkel word nu ook belangrijk. Nette rijen met eten op spullen. De groepen bij elkaar. zoals zuivel bij zuivel. Olielampen worden vervangen door gas en houten toonbanken worden toonbanken waarin producten aantrekkelijk voor de klanten kunnen worden uitgesteld. In elke winkel moest sowieso chocolade, magerine, (boter van het volk) merkkoffie, suikerwaren, ontbijtkoek, blikgroente, (groente in blik) jam, zeeppoeder en soep zitten.
De winkels gingen met sprongen vooruit. De 1e wereldoorlog zorgden ervoor dat het een beetje ophield, maar daarna ging het weer met een enorm tempo vooruit. Er komt reclame (borden met winkelnamen, spaarzegels, puntensystemen met cadeautjes, korting of waardebonnen). Je moet een vakopleiding krijgen voor het vak kruidenieren er komen meer controles van de keurdienst van waren.
Dan komt de tweede wereldoorlog en die legt alles lam in de verkoopwereld. Na 1945 ging het ook nog niet erg goed met de handel. Er waren veel producten schaars, niet te krijgen of zeldzaam.
In 1948 opende Nijmwegen de eerste zelfbedieningswinkel en veel andere winkels volgen. Het is de tijd voor moderne zaken en efficiëte dingen. Alles ligt keurig in rijtjes en er word zoveel mogelijk voor de klanten gezorgd en de winkels worden steeds groter en krijgen steeds meer spullen. Dit is al bijna de supermarkt.
De winkels mogen sinds 1951 niet langer open op zondag. En op de werkdagen moeten de winkels om 6 uur 's avonds dicht zijn. Er komen steeds meer zelfbedieningswinkels en de bedieningswinkels nemen af. Aan het einde van de jaren 50 komt er verse groente, vlees en fruit bij en de supermarkt is nu helemaal een supermarkt. De lagen prijzen gaan een grote rol spelen. Alle supermarkten worden langzaam groter en groter tot ze zo zijn zoals nu.
Weekopdracht 5
Van hoepelrok tot broekpak.
Deze weekopdracht ging over hoe het gegaan is van de hoepelrok tot het broekpak.
1850 De hoepelrok of de crinoline worden populair. De meest gebruikte stoffen waren katoen, wol, zijde, tafzijde en batist.
1860
