Poolgebieden - Olivier
Uit Lorentz
Inhoud |
Poolgebieden
Werkstuk Olivier Nagy Groep 8a Juni 2009
Situatie zee-ijs op de Noordpool op 1 juni 2009.
Bron: National Snow and Ice Data Center
Situatie zee-ijs op Antarctica op 1 juni 2009.
Bron: National Snow and Ice Data Center
Voorwoord
Ik heb dit onderwerp gekozen omdat ik er eigenlijk nog maar heel weinig van wist, maar de polen wel vaak in het nieuws komen. Ik had heel veel vragen over de poolgebieden, zoals:
Welke dieren leven er? Waarom is het er zo koud? Welke planten leven er? Welke mensen leven er? Door wie werden de polen ontdekt en wie bereikte de Noordpool en Zuidpool al eerste? Wat voor politiek is er gaande met betrekking tot de polen? Hoe zit het met de opwarming van de aarde?
Ik wil hier met dit werkstuk antwoorden op proberen te vinden en dat lijkt me heel leuk en leerzaam!
Hoofdstuk 1: Wat zijn de poolgebieden?
De poolgebieden zijn de koudste gebieden op aarde buiten enkele zeer hoge bergtoppen. Het zijn de Noordpool en de Zuidpool, die op de noordelijkste en zuidelijkste punten van de aarde liggen. Dat zijn de geografische Noord- en Zuidpool. Er is ook nog de magnetische Noordpool, die verschuift elk jaar een stukje: hij heeft miljoenen jaren geleden zelfs op de Zuidpool gelegen! De magnetische Noordpool ligt nu ergens tussen de Canadese eilanden. Het noordpoolgebied kan je ook wel Arctica noemen en het zuidpoolgebied Antarctica, dat een continent is. Arctica is vernoemd naar het sterrenbeeld de grote beer (in het Grieks arktos) en Antarctica betekent: tegenover Arctica.
De zuid- en Noordpool.
Sommige mensen denken dat de poolgebieden veelal hetzelfde zijn: het zijn immers allebei werelden van sneeuw en ijs en het is op allebei de plekken steenkoud. Maar de verschillen gaan veel dieper; hieronder volgt een schema met de voornaamste verschillen.
Antarctica Arctisch gebied Continent omringd door zee Oceaan omringd door continenten Zuidpool: 2.836 m boven zeespiegel, rotsbodem 30 m boven zeespiegel. Noordpool: 1 m boven zeespiegel, rotsbodem 427 m onder de zeespiegel. Lange, smalle continentale richel, gering oppervlak aan ijsvrije bevroren grond, geen boomgrens, geen toendra, geen inheemse bevolking. Ondiepe brede continentale richel, groot oppervlak bevroren grond, duidelijke boomgrens, duidelijk toendragebied, inheemse volkeren rondom poolcirkel. IJskap bedekt 98% van de Zuidpool. Beperkt landijs. IJsbergen van gletsjers en ijsschollen gemeten in km² (de ijsbergen zijn dus veel groter dan op de Noordpool). IJsbergen van gletsjers gemeten in m² Weinig drijfijs van ouder dan 1 jaar, zout en minder dan 2 m dik, drijfijs vormt zich vanaf het continent. Drijfijs van meerdere jaren, laag zoutgehalte en meer dan 2 m dik. Hier is het drijfijs opgesloten tussen de omringende landmassa’s. Gemiddelde jaartemperatuur op de Zuidpool -50°C Gemiddelde jaartemperatuur op de Noordpool –18°C. Zeezoogdieren (walvissen en zeehonden), geen landzoogdieren, pinguïns Landzoogdieren (rendieren, wolven, muskusossen, hazen, lemmingen, vossen), zeezoogdieren (walvissen, zeehonden, ijsberen).
Door het bevroren oceaanoppervlak is de omvang van het continent in de winter twee keer zo groot is als in de zomer. In de zomer smelt het ijs voor groot deel. De Noordpool is het hele jaar door bedekt met ijs. Bron:wikipedia
Naast deze onderlinge verschillen is er nog een verschil tussen de poolgebieden en de rest van de wereld. De seizoenen verschillen ook: de poolgebieden hebben namelijk maar 2 seizoenen. In de zomer gaat de zon maandenlang niet onder, terwijl in de winter de zon nooit opkomt. Dit noemen we de middernachtzon en de poolnacht. In de poolgebieden kan je ook vaak een bijzonder verschijnsel zien: het poollicht of noorderlicht. Dat ontstaat doordat magnetisch geladen deeltjes van de zon in botsing komen met het magnetisch veld van de aarde. Het noorderlicht
De gebieden hebben een grote invloed op het weer overal ter wereld. Doordat ze als een soort koelkast werken hebben ze grote invloed op de oceaanstromen. Dit koelkast effect wordt ook wel het albedo-effect genoemd: wit, dus ook sneeuw en ijs, weerkaatst warmte.
Hoofdstuk 2: Het poolklimaat
Dat de poolgebieden heel koud zijn, weet iedereen. Maar hoe het kan dat ze zó koud zijn, weten maar weinigen. Hierbij spelen 3 belangrijke factoren bij mee.
1. Omdat de aarde een bol is, krijgen de poolgebieden minder warmte dan landen rond de evenaar. In de poolgebieden staat de zon ook altijd laag, waardoor de zon de hele tijd minder warmte kan afgeven. 2. Poolgebieden moeten gedurende de hele winter de zon missen, in plaats van de rest van de wereld die wel elke dag zonne-energie krijgt. In de 6 maanden- durende zomer word wel veel zonnewarmte meegenomen, maar nog veel meer gaat verloren in de lange winter. 3. De derde oorzaak, die de laatste paar jaren een belangrijke rol speelt door de opwarming van de aarde, is dat ijs en sneeuw, die beiden wit zijn, warmte afstoten. Dit wordt het albedo-effect genoemd. Zo gaat dus nog veel meer warmte verloren die het magere zomerzonnetje maakt.
De polen hebben allebei een bitter koude winter: temperaturen van -30 op de Noordpool en -60 op de Antarctica zijn heel gewoon; in de zomer is het wat minder koud, de temperatuur schommelt op de Noordpool rond de 0 graden, terwijl het in de binnenlanden van Antarctica alsnog -30 is, maar aan de randen van het continent is het iets ‘aangenamer’ namelijk ook rond de 0 graden. De laagste temperatuur die ooit is waargenomen in Arctica is -69,2 en in Antarctica -89,2. Dat laatste is de laagste temperatuur ooit gemeten in de wereld door het onderzoekstation Vostok.
Het is in de poolgebieden heel droog en het kan er stevig waaien: de windsnelheid is op Antarctica soms wel 300 km per uur. Antarctica is op sommige plaatsen zelfs zo droog dat het gebied als een woestijn kan worden beschouwd. Er zijn behoorlijke klimaatverschillen op Antarctica, met name afhankelijk van de hoogte waarop een plaats ligt en niet van de breedtegraad. Bijvoorbeeld: het onderzoeksstation aan de noordoostkust Mawson heeft een 16 graden hogere gemiddelde wintertemperatuur dan onderzoekstation Scott Base aan de zuidkust. Dat komt overeen met het verschil met het noorden van Noorwegen en Athene.
Onderzoeksstation Mawson en Scott Base. Het is niet altijd zo koud geweest op de poolgebieden, met name op Antarctica: honderden miljoenen jaren geleden hadden de poolgebieden nog een tropisch klimaat. Dat kwam doordat al het land wat er toen was aan elkaar vast zat (het supercontinent Pangea) en rond de evenaar lag. Rond de evenaar heerste een tropisch klimaat. Op een gegeven moment dreven een paar grote stukken land uit elkaar. Het deel dat Antarctica later zou worden dreef steeds verder naar het zuiden. Door een enorme aardbeving ontstond het trans-Antarctisch gebergte, een heel lang gebergte dat west en oost Antarctica van elkaar scheidt. Op deze toppen lag sneeuw op het al wat koudere eiland. Dit viel van de hoge toppen op rotsen. Ondertussen blokkeerde Antarctica warme zeestromen zodat het nog sneller kouder werd. De ijskap werd snel groter en werkte als spiegel: het ijs weerkaatste immers de warmte. Dit ging door totdat het ijs het hele continent had bedekt. Het ijs werd op sommige plaatsen wel meer dan 4000 meter dik, en op sommige delen van Antarctica kon het land het ijs niet meer houden: het zakte wel 1000 meter. Het Noordpoolgebied werd kouder doordat het door alle zeestromen werd afgesneden. Dat kwam door Azië en Europa die daar steeds dichterbij kwamen te liggen.
Klimatologen zijn het er nog steeds niet over eens wat nou de grens van Arctica en zijn poolklimaat is. Wel hebben ze twee belangrijke factoren bedacht: de 10 graden juli-isotherm (dat betekent het gebied waar de temperatuur in juli nooit boven de 10 graden Celsius komt), en de boomgrens. Die staan hieronder.
De 10 juli-isotherm(de rode lijn). De boomgrens.
Hoofdstuk 3: Fauna
De twee gebieden hebben (in vergelijking met de rest van de wereld) een niet erg uitgebreide dierenwereld. Vooral Antarctica is arm in soorten, zowel in aantallen als diversiteit. Naast natuurlijk ijsberen komen er in Arctica veel opvallende voor, zoals de muskusos, kariboe, sneeuwhazen, walrussen, sneeuwuilen, en vele vogels waaronder eenden, ganzen en waadvogels. Deze leven op de toendra of op het zeeijs. Op Antarctica is maar weinig van dit alles. Doordat het nog veel kouder is dan op Arctica komen er geen dieren op het ijs voor. In de winter overleven hier wel pinguïns die hun eieren uitbroeden en een aantal albatrossen.
De beide polen hebben een paar dieren gemeen, zoals zeehonden en walvissen die in de poolzeeën leven, maar andere soorten. De dieren hebben zich uitstekend aangepast aan het barre klimaat in de gebieden, zoals een witte vacht in de winter en een bruine in de zomer. Veel mensen denken dat de poolgebieden zich wat fauna betreft hetzelfde ontwikkeld hebben, terwijl dit juist volledig onafhankelijk van elkaar gebeurde. Toen de poolgebieden afkoelden van een gematigd naar een ijskoud klimaat, evolueerden Arctische en Antarctische dier- en plantensoorten zich geïsoleerd van elkaar. Tussen de gebieden liggen gematigde en tropische klimaatgebieden die de nieuwe en aan kou aangepaste soorten isoleerden in hun gebied. Daarom hebben Arctica en Antarctica, hoewel ze klimatologisch met elkaar overeenkomen, nauwelijks diersoorten gemeen (ze konden niet ‘overlopen’).
Op de polen leven bijna alleen maar warmbloedige dieren. Bijna alle dieren hebben een dikke speklaag op hun botten liggen, of een vacht/veren. Er leeft geen enkel groot dier in de zomer èn de winter op Antarctica, alleen een vleugelloze mug. Grotere dieren zoals zeehonden en pinguïns komen alleen voor langs de kusten en in het water. In de winter trekken veel dieren naar warmere streken. Het dier dat het allermeeste voorkomt in de Antarctische zee is krill. Dat zijn kleine garnaalachtige beestjes, die veel gegeten worden door walvissen, robben en pinguïns.
Krill
Overlevingsstrategieën
Je kunt de manieren waarop dieren in deze koude gebieden kunnen overleven samen brengen onder drie noemers: vermijden,ontwijken en confronteren. De vermijdende dieren trekken in de winter weg uit de poolgebieden. De ontwijkende dieren zoeken een plekje waar de invloed van de winter het geringst is, en de confronterende dieren gaan de confrontatie met de winter aan en brengen de winter buiten door. Vermijden word vaak door vogels en zoogdieren gebruikt. Zij vermijden de winter en trekken naar warmere streken. Deze strategie wordt weinig gebruikt: maar 3 tot 4 op de 40 dieren gebruikt deze strategie. Meer diersoorten behoren tot de ontwijkers, die in de herfst een mooi plekje zoeken en dan rustig/slapend de winter door brengen totdat de lente aanbreekt. Kleine zoogdieren als muizen en lemmingen gebruiken deze tactiek. Maar weinig dieren zijn confronterende dieren: dit zijn dus ook de best aangepaste dieren. Het zijn dieren zoals muskusossen, poolhazen en poolvossen. Dieren hebben soms ook nog een eigen aanpassing, zoals de kariboe die holle haren heeft zodat het dier nog beter geïsoleerd is. Hieronder staan nog een paar van de meest opvallende pooldieren.
IJsberen IJsberen leven op het pakijs van de Noordpool, maar ook op enkele toendraplekken. Het lichaam is bedekt met een geelwitte vacht, die geen water doorlaat. Het mannetje is het grootst. Hij kan wel 2,5 tot 3 meter lang worden en weeg 400 tot 500 kilo. IJsberen kunnen 40 km p/u rennen op het land en tot 10km p/u zwemmen. Ze jagen op zeehonden, walvissen en vissen.
Zeehonden In de poolgebieden leven 16 van de 30 soorten zeehonden. De dieren leven verspreid in grote groepen. Zeehonden verzamelen zich op een paar plekken waar ze enorme kolonies vormen en paren. Er werd vroeger heel veel op gejaagd, voor de kostbare huiden. Tegenwoordig mogen alleen nog landen rond de noordelijke en zuidelijke ijszee jacht op ze maken.
Walvissen Rond de poolgebieden leven 10 soorten walvissen. Er leeft ook de grootste walvis: de blauwe vinvis. Walvissen zijn de grootste dieren die op aarde leven, en zijn zoogdieren. De dieren leven in hun eentje en komen bij elkaar om te paren. Er is vroeger heel erg veel op walvissen gejaagd: een paar soorten waren bijna uitgestorven. Door verdragen is het nu in bijna alle landen van de wereld verboden om op walvissen te jagen. De walvispopulatie heeft zich na de grote jacht redelijk goed hersteld.
Pinguïns Pinguïns komen alleen voor op Antarctica en het uiterste zuiden van Zuid-Amerika, Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Zij behoren tot de vogels. Vroeger bestond er ook nog een dier op het noordelijk halfrond dat op de pinguïn lijkt: de reuzenalk. Deze is inmiddels uitgestorven. De pinguïns die niet op Antarctica leven graven een hol om hun ei in te leggen. De keizerspinguïn gaat daarentegen naar de plek op Antarctica waar hij geboren is om daar zijn ei te leggen. Het mannetje zorgt dan de hele winter voor het ei bij barre temperaturen van -80. Er is nooit gejaagd op de pinguïn omdat het meestal gewoon te koud was om er te jagen.
Poolvossen De poolvos leeft op de toendra van Arctica. Hun vacht verandert het jaar door, in de zomer heeft hij een grijsachtig/bruine kleur en ’s winters wit. Ze eten vooral lemmingen. Hij wordt tot 75 cm lang en tot 6 kg zwaar. Poolvossen leven in paartjes of in kleine groepjes. Op de poolvos word gejaagd voor zijn bont, door bontjagers en inheemse volken. Toch vormt de jacht niet een erg grote bedreiging voor de poolvos, mede door het grote aantal jongen per keer, namelijk 5 á zes dieren. De poolvos komt best algemeen voor in Arctica.
Hoofdstuk 4: Flora
Op de ijslaag die de polen bedekt, kan niks groeien. Onder het pakijs is wel heel veel plankton, zeewier en algen te vinden. Maar er zijn ook een paar stukken zonder sneeuwbedekking. Daar groeien planten die, net als de dieren, uitstekende manieren hebben ontwikkeld waardoor ze kunnen overleven in Arctische en Antarctische klimaten. De planten hebben in een jaar maar heel kort de tijd waarin ze kunnen groeien en zich ontwikkelen. Sommige bloeien en verspreiden hun zaad in één maand, wat mogelijk wordt gemaakt door de vele uren daglicht in de zomer. Andere planten vertragen hun groei, zoals korstmossen, waardoor ze heel lang kunnen leven. Er zijn mossen gevonden die wel 10.000 jaar oud zijn.
Er zijn in vergelijking met de rest van de wereld maar heel weinig planten in de poolgebieden: op Arctica nog geen 10 procent van het aantal soorten in een vergelijkbaar gebied in andere streken. Op Antarctica is dat aantal nog veel lager. Op Antarctica zijn zelfs geen planten hoger dan 5cm te vinden. Omdat er bijna geen aarde te vinden is Antarctisch parelkruid hebben de planten maar hele korte wortels. Wel is er een enorm aantal soorten mos en korstmossen op Antarctica te vinden: er zijn meer dan 350 soorten mos en korstmossen bekend. De enige echte planten die groeien in Antarctica zijn het Antarctisch parelkruid en Antarctische smele, een soort gras.
Antarctische smele
In Arctica zijn meer planten. In de winter lijkt de toendra weliswaar dood, maar nergens is het aanbreken van de lente zo indrukwekkend als daar. Als de sneeuw gaat smelten komt alles tot leven, en dat binnen 3 dagen. De Arctische begroeiing is dun en klein en er is minder vegetatie dan op andere plaatsen. Op enkele plaatsen ontstaan enorme bloemenzeeën. De grond ontdooit en er worden duizenden kleine meertjes geboren, die het land een moerasachtige aanblik geven. Er bestaan zelfs poolwilgen, maar die worden niet groter dan 5 cm.
Ten noorden van de 6 graden juli-isotherm, op de noordelijkste stukken van Rusland, Canada, Alaska en de eilanden, wordt het plantenkleed dunner. Er zijn niet meer planten te vinden dan piepkleine poolwilgen, heidestruikjes, mossen, grasjes en nog enkele kleine bloemen. De planten vind je ook grotendeels onder de grond, er steken meestal een paar stengels omhoog vanuit een groot wortelstelsel, waar de wind en grazende dieren niet bij kunnen. Andere planten vormen een soort kussenvorm, waarbij tientallen stengels vanuit één punt groeien, waardoor ze wind en kou kunnen trotseren. Binnenin de plant is het meestal ook een paar graden warmer dan de luchttemperatuur, zodat de plant een eigen kasje maakt. Poolwilg In deze zone is minder dan de helft van het land
door planten bedekt. Ze gaan op verschillende tijdstippen bloeien en daardoor is de lente er minder indrukwekkend dan op het warmere deel van de toendra.
Nog verder naar het noorden, voorbij de 2 graden juli-isotherm, komt de bedekking van planten onder de 20 procent te liggen. Deze poolwoestijn begroeiing wordt gevonden op de noordelijkste eilanden en het noordelijkste vasteland, bijvoorbeeld dat van Groenland. Alle wat mindere winterharde soorten zijn verdwenen, alleen de sterkste soorten korstmossen, mossen en algen overleven in dit klimaat. Ze groeien meestal rond smeltwaterbeekjes, wat betekent dat niet eens de kou er zo voor zorgt dat de planten wegblijven, maar meer het gebrek aan vocht. De poolwoestijn wordt in de lente vooral opgekleurd door verschillend soorten korstmossen, met rode, groene of zwarte kleuren.
Er zijn grote verschillen tussen de flora van Arctica en Antarctica. Voorbij de boomgrens op Arctica zijn er drie toendravormen: de boomtoendra, de echte toendra en de poolwoestijn. De eerste twee vormen bestaan in Antarctica niet. Alleen de poolwoestijn in het uiterste noorden van Arctica is te vergelijken met de armoe aan vegetatie op Antarctica, maar zelfs de poolwoestijn is complexer dan wat Antarctica te bieden heeft. Voor deze verschillen zijn diverse redenen. Antarctica ligt te zuidelijk voor bomen en waar bomen wel zouden kunnen groeien ligt zee. De Arctische poolwoestijn heeft tijd gehad om redelijk dikke, gerijpte en vruchtbare bodems te ontwikkelen, en de planten hebben een langer groeiseizoen, er is meer vocht en meer aarde. De randen van Antarctica lijken nog maar net onder het ijs vandaan gekomen te zijn, het is nog ongerijpt en heeft meer tijd nodig. Na de laatste ijstijd is Arctica redelijk goed onder het ijs uitgekomen, maar in Antarctica zijn de ijskappen nog niet genoeg teruggeweken om een toendra te creëren, waar hogere planten kunnen groeien.
Hoofdstuk 5: Poolbewoners
Op Antarctica leefden oorspronkelijk geen mensen. Het was gewoon te koud om er te leven, het continent lag té afgelegen om naar toe te gaan en lang wist men ook niet dat het er was. Op dit moment leven er wel mensen, in onderzoeksstations. Op Arctica zit het anders. Ongeveer dertig- tot twintigduizend jaar geleden, tijdens de opwarming van de ijstijd die er toen was tijdens de wurm- ijstijd, trokken jagers vanuit Europa en Azië naar het noorden. De Europeanen vestigden zich in noordelijk Scandinavië. Een deel van de Aziatische jagers vestigde zich in Siberie. Het andere deel van de Aziatische jagers ging over de Beringstraat (waar toen nog land was, het zeepeil was 100 meter lager dan nu) en bereikte Noord-Amerika (Alaska). Ze splitsten zich weer op, een deel trok naar zuidelijker gelegen gebieden en de rest bleef in Alaska. Na een tijdje breidden ze zich ook uit naar Noord-Canada en Groenland.
De mensen die in dit gebied wonen worden in Nederland meestal Eskimo’s genoemd, maar eigenlijk zijn er verschillend soorten Eskimo’s, Lichtgeel is land, oranje bijvoorbeeld Inuit, wat ‘echte was ooit land (Beringia) mensen’ betekent. Deze wonen in Groenland en Canada. De Eskimo’s die in Alaska en Oost- Rusland leven noemen zich Yupik. De naam ‘Eskimo’ hebben de Eskimo’s te danken aan de Algonkin indianen, indianen die in Canada en de VS leefden. ‘Eskimo’ betekend namelijk rauw vlees eter. Er leven ongeveer 100.000 Eskimo’s rond het poolgebied,waarvan bijna 50% in Groenland. De taal van de Eskimo’s vertoont bijna geen gelijkenis met andere talen.
Leefwijze
Het hele leven lang zijn Eskimo’s bezig met overleven. Vooral de hongerdood vormt een constante bedreiging. Eskimo’s hebben een zeer sterke onderlinge samenwerking. Doordat de hongerdood de hele tijd op de loer ligt(bijvoorbeeld bij het mislukken van een jacht) is hun enige redding een goede samenwerking. Alles wat wordt gevangen en gedood, wordt verdeeld. De tekening hieronder laat zien hoe de buit bij een groter dier verdeeld word. De harpoenier krijgt de delen 1, 2 ,3 en 10 en de tweede harpoenier 7, 8 en 9. De Eskimo’s die hebben geholpen met steken of verslepen krijgen deel 4, 5, 6, 11, 12, 13 en 14. Alle grote dieren waar men op jaagt worden op deze manier verdeeld.
De Eskimo’s die nog op de traditionele manier leven hebben een nog zwaarder leven dan de modernere Eskimo’s. Dat is een steeds kleiner wordende groep. Ze leven ’s winters in ijsgrotten of iglo’s en in de korte zomers in hutjes van rendierhuiden. In zo’n iglo of hut zijn de meest noodzakelijke spullen een olielamp, een droogrek voor de kleren(meestal van botten gemaakt) een plek voor de honden, een paar bedden, en een voedselopslagplaats.
Jacht is (nog steeds) een van de belangrijkste Iglo dingen uit het leven van een Eskimo. De jacht zorgt niet alleen voor genoeg voedsel, maar ook voor kleren, laarzen en tenten. De dieren waar ze het meest op jagen zijn zeehonden, walvissen, kariboes, grote vissen, en poolberen. Het voornaamste vervoer van de Eskimo’s zijn traditionele hondensleeën, voortgetrokken door tien tot vijftien honden. Eskimo’s gebruiken heel veel van wat zij vangen. Van botten worden kettingen of wapens gemaakt, van pels kleren en van de huid worden laarzen en handschoenen van gemaakt.
Eskimo’s hebben altijd mooie beeldjes gemaakt van ivoor, van de slagtanden van walrussen. De bouwkunst van de Eskimo heeft echter nooit echt de kans gekregen zich te ontwikkelen, doordat er geen goede materialen op de pool te vinden zijn: stukken drijfhout, sneeuw en ijs, botten en huiden zijn niet geschikt voor hoogstaande bouwkunst.
Veel Eskimo’s hebben tegenwoordig het christendom aangenomen, maar de traditionele godsdienst draaide om de natuurkrachten, die ze aanbaden. Het geloof zegt ook dat elk levend wezen een ziel heeft een ‘Sila’. Als een Eskimo een dier doodt, verontschuldigd hij zich tegen de Sila van dat dier. Ze geloven ook in een soort hemel en hel.
Traditionele eskimo’s
Moderne Eskimo’s
Er zijn heel wat veranderingen doorgebracht in het leven van Eskimo’s. Door moderne uitvindingen die zijn gebracht bij de Eskimo’s komt de traditionele manier van leven in gevaar. De moderne Eskimo’s gebruiken bijvoorbeeld niet meer de traditionele harpoen om te jagen, maar een jachtgeweer. Ook is de hondenslee door veel Eskimo’s vervangen door de sneeuwscooter. De kinderen gaan naar school (in plaats van vaardigheden leren van hun ouders) en veel Eskimo’s leven inmiddels (vooral in West-Groenland) in stenen huizen. Andere Eskimo’s leren hun traditionele leefwijze en de moderne stijl te combineren.
De Eskimo’s hebben een prachtige, unieke levensstijl die ze wat mij betreft nog heel lang mogen behouden!
Hoofdstuk 6: Ontdekkingsreizen
De eerste Europeanen die het noordpoolgebied betraden waren waarschijnlijk monniken of missionarissen uit de 8e of 9e eeuw. Maar de eerste die van het bestaan ‘afwisten’ waren in wezen de oude Grieken. Aristoteles en enkele collega’s kwamen met een idee. Zonder dat ze verre reizen maakten, maar vooral gebruik maakten van hun gezonde verstand en een paar kleine experimentjes kwamen ze erachter dat de aarde een bal was. In dat geval zou volgens hun ergens in het noorden een koude zone zijn. Je zou dus kunnen zeggen dat zeggen de Grieken de ‘uitvinders’ van de Noordpool zijn. Ze noemden het ‘Arctis’. Ook bedachten de Grieken dat er waarschijnlijk ook een ander koud land in het zuiden lag. Dit noemden ze Antarctica.
Reizen naar Arctica
De eerste reizigers waren waarschijnlijk monniken uit Ierland die op zoek waren naar rust. De reizen van ene monnik Sinte Brendaans zijn beschreven: ze beschrijven ‘een kristallen zuil in het noorden, gevangen in een net van zilver, harder dan marmer’. Dit zou een verslag kunnen zijn van de eerste door Europeanen geziene ijsbergen. Monniken vestigden zich tot aan IJsland toe, levend van visserij en landbouw. Ze stuurden soms verslagen terug naar huis, maar men hechtte er weinig waarde aan. Kort na de monniken kwamen de Vikingen, een volk afkomstig uit het zuiden van Scandinavië dat in die tijd Europa leegplunderde. Ze verkenden het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan en stichtte er kolonies. Na verloop van tijd voeren ze steeds verder noordelijk. Ze kwamen als eerste Europeanen in contact met de Inuit. Ook langs de oostelijke kust van Groenland stichtten ze nederzettingen. Waarschijnlijk door de barre kou, hongersnood en vijandigheden van de Inuit verdwenen de Vikingen hier weer.
Aan het eind van de 16e eeuw wou Nederland een snellere weg naar Indie vinden: de noordelijke route. In 1596 vertrok Willem Barentsz samen met Jacob van Heemskerk naar de noordelijke zeeën, waar hij Spitsbergen en Bereneiland ontdekte. Vanaf daar voer hij naar het Oosten, naar Nova-Zembla. Men dacht tot dan toe dat zee-ijs zich alleen aan de kusten vormde: Barentsz voer om het noorden van Nova Zembla heen. Helaas kwam hij hier vast te zitten in het ijs, waardoor het schip zwaar beschadigd raakte. Samen met 16 bemanningsleden bouwde hij op Nova Zembla een huis van het wrakhout van het schip. Dit noemden ze het ‘Behouden Huys’. Ze sleten de bitterkoude winter op Nova Zembla, levend van ijsberen en zeehonden. Op de terugreis stief Barentsz.
In 1607 voer Henry Hudson naar Groenland waar hij de door pakijs ontoegankelijke oostelijk kust verkende. Daarna volgde hij de grens van het ijs, waarna hij aankwam bij Spitsbergen, waar hij een gebied beschreef met talloze walvissen en zeehonden. Een paar jaar later was dit een paradijs Het Behouden Huys op Nova Zembla. voor
walvisvaarders.
In 1610 voer hij naar het noordwesten, waar hij de Hudsonstraat ontdekte en de Hudsonbaai verkende. Maar toen het schip van Hudson onderweg naar huis was, zetten muitende bemanningsleden hem samen met zijn zoon en enkele officieren in een bootje, ten prijs aan de golven. Niemand heeft hen ooit teruggezien.
Nadat in 1728 de Beringstraat was ontdekt door Vitus Bering en talloze keren was geprobeerd om de noordwest- en noordoostpassage te vinden, liep de belangstelling rond de polen nog meer op. Er werden veel tochten per boot ondernomen om dieper door te dringen in het Noordpoolgebied; voorbeeld de tochten van kapitein Phipps en Lutwidg, George Washington en John Franklin. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kwamen er ook expedities die de geografische Noordpool wilden bereiken.
Het als eerste bereiken van de geografische Noordpool is door 2 mannen geclaimd: Robert Peary en Frederik Cook. Algemeen word aanvaard dat Robert Peary als eerste de pool bereikte: hier is echter niet iedereen het mee eens. Frederik Cook claimde dat hij als eerste op 21 april 1908 de pool had bereikt, maar al snel werd aan zijn verhaal getwijfeld, toen uitkwam dat hij ook over een andere expeditie had gelogen. Naar zijn zeggen had hij in 1903 Mount McKinly beklommen, maar uit zijn foto’s bleek dat hij een andere, veel lagere berg had beklommen. Een ander bewijs was dat de Inuit die met hem meereisden een heel andere route beschreven dan hij. Robert Peary had al twee pogingen gedaan om de Noordpool te bereiken: in 1902 en in 1905. Op 6 april 1909 stond hij naar eigen zeggen op de Noordpool. De twijfel over zijn verhaal was dat hij met nogal grote snelheid gereisd had. Ook zou zijn navigatie niet goed geweest zijn. Er werd een stemming gehouden: in de VS haalde Cook een grote meerderheid, maar in de andere landen van West-Europa won Peary. Toen werd besloten dat Peary gewonnen had.
Reizen naar Antarctica
Al heel lang werd gedacht dat Antarctica een enorm zuidelijk continent was, Terra Australis Incognita, wat het onbekende zuidland betekent. James Cook kreeg de eer om het continent tot zijn eigenlijke grootte terug te brengen. Het was Cooks tweede reis (1772) toen dat gebeurde. Cook voer vanaf Kaapstad zuidwaarts, waar hij als eerste mens de zuidpoolcirkel overschreed. Hij vond geen land, hoewel hij Antarctica tot op een paar Terra Australis Incognita kilometer naderde.Cook ontdekte de South Sandwicheilanden en bracht South-Georgia gedeeltelijk in kaart. Later voer hij ook naar de Grote Oceaan zonder vasteland te zien: Terra Australis Incognita was hiermee definitief van de kaart.
De tweede die de zuidpoolcirkel binnenging was Fabian von Bellingshausen, die de metingen van Cook verzuiverde. Dat was in 1819. Hij is wel zes keer de zuidpoolcirkel in en uit gegaan en heeft vaak land gezien, hoewel hij niet aan land ging. Von Bellinghausen ontdekte Tsaar Peter de Eerste-eiland en bracht de bergen van Alexander land in kaart, duidelijk zichtbaar vanaf zee, maar onbereikbaar door het zware pakijs. De Bellingshausen zee is later naar hem vernoemd en overal op Antarctica zijn namen rondgestrooid van officieren die bij hem aan boord waren. Hij ontdekte ook Alexander eiland.
De eersten die op Antarctica aan land gingen, waren de Fransen. In 1837 voer kapitein Jules Dumont d’ Urville van de Franse Marine met orders van koning Louis-Philipe naar het zuiden met twee schepen. Hij heeft twee keer geprobeerd om Antarctica te bereiken; een keer kwam hij vast te zitten in het ijs bij het Antarctisch Schiereiland, maar de tweede keer was het raak. Nadat hij een jaar in de Grote Oceaan gedwaald had, voer hij vanaf Tasmanië naar Antarctica. Hij ontdekte een stuk land dat hij Terre Adélie noemde, naar zijn vrouw. Tegenwoordig bestaat dit stuk land nog steeds: het heet Adélie land, een kleine taartpunt in Antarctica dat bezit is van Frankrijk.
De race om de Zuidpool ging tussen twee teams: het team van Roald Admunsen en het team van Robert Scott.
Admunsen begon zijn tocht op 8 september 1911. Admunsen had zijn kamp opgeslagen aan de Ross-ijsbarriere. Hierdoor zat hij dichter bij de pool, maar er bestond het risico dat er een stuk ijs afbrak, waardoor zijn kamp dan op een ijsberg zou drijven. Dit gebeurde gelukkig Kaart met de routes naar de pool van Scott & Amundsen, niet. De en plaats en datum van Scotts dood route van Admunsen liep over het Ross-ijsplateau. Al na vier dagen stonden Admunsen en zijn metgezellen op 80 breedtegraden, waar een voorraaddepot stond. Daar werden 2 dagen rust gehouden en de sleden volgeladen. Op 3 november werd de laatste voorraaddepot op 82 graden gehaald en op 15 november stonden ze op 85 graden. Nu stonden ze op volkomen onbekend terrein, waar nog nooit een expeditie had rondgelopen. Admunsen koos voor een route over de gletsjer die recht voor hem lag, die hij de Axel Heiberggletsjer noemde. Ze klaarden de klus en kwamen op 21 november op het Antarctisch plateau: de grote platte ijsvlakte van Oost-Antarctica. Op 7 december sneuvelde het record van 88 graden zuiderbreedte dat in 1909 door de ontdekkingsreiziger Shackleton was gevestigd en op 14 december 1911 bereikte Admunsen de pool. De terugweg verliep probleemloos en duurde 42 dagen.
Scott had zijn tocht minder goed dan Admunsen voorbereid. Hij had een basiskamp minder dicht bij de pool en had pony’s bij zich, die niet tegen de kou konden. Hij vertrok op 1 november met 8 pony’s, een paar dagen later gevolgd door een paar mannen met hondensleden. Het was de bedoeling dat deze bijeen zouden komen aan het einde van het Ross-ijsplateau. Toen ze bijeen gekomen waren op 3 januari 1912, moest Scott vier expeditieleden kiezen die hij moest meenemen, maar hij koos er vijf. Dit was van grote invloed op de rest van de expeditie, want alles was afgestemd op vier man: de tent, het rantsoen en de brandstof voor het koken. Op 9 januari bereikte Scott 88 graden zuiderbreedte en op 17 januari bereikte hij de pool. Admunsen als 1e op de Hij zag daar echter de resten van een kamp en een geografische Zuidpool brief aan Scott, waarin stond dat Admunsen de pool had bereikt. Ook vond hij een brief die Scott aan de Noorse koning moest geven als Admunsen het niet gehaald zou hebben.
Zwaar ontmoedigd nu hij wist dat hij niet de 1e was die de eerste was die de pool had bereikt, ging Scott op weg naar het basiskamp. Het zou vanaf nu een race tegen de tijd worden om voor de winter het basiskamp te bereiken. De eerste drie weken werd goede vooruitgang geboekt, maar vanaf toen stapelden de problemen zich op. Er was zeer slecht weer van temperaturen onder -50 en er werd veel tijd verspild met het vinden van de juiste weg. Ook werd door Scott nog een halve dag van mooi weer opgeofferd voor het verzamelen van 14 kilo geologische monsters. Op 17 februari overleed een bemanningslid. Op het Ross-plateau verliep de tocht door zeer zwaar weer nog moeilijker, en in de voorraaddepots zat te weinig voedsel en brandstof om de deelnemers weer echt goed op krachten te kunnen brengen. Een ander bemanningslid kreeg last van kreupelheid en kon de anderen nauwelijks bijhouden; op een avond is hij de tent uitgestapt en nooit meer teruggezien. De drie anderen vervolgden tot 21 maart hun tocht, totdat er een sneeuwstorm op stak en ze een kamp opsloegen. Het werd helaas hun laatste kamp.
Scott en zijn metgezellen bij de pool. Van links naar rechts: Wilson; Bowers; Evans; Scott; Oates
Hoofdstuk 7: Politiek rond de polen
Vanaf het moment dat de Noordpool ontdekt was, ging er nog maar weinig aandacht naar uit. Daar kwam rond 1950 verandering in. Er was op de Noordpool nog nooit een stuk land geclaimd. Toen het gebied deels verkend was, begon er meer onrust te komen op de Noordpool. Amerika en Rusland raakten boven en onder het pakijs steeds dichter bij elkaars grondgebied, onderzeeërs speelden oorlogje met elkaar en verkenningsvliegtuigen vlogen rond.
Ook het zuidpoolgebied was na zijn ontdekking niet veel in de belangstelling. Net als de Noordpool kreeg zij politiek pas aandacht rond 1950. Het was voor ruim de helft in kaart gebracht en de vraag ontstond van wie het continent nou eigenlijk was. Ook de koude oorlog raakte Antarctica; de Russen en Amerikanen leidden geheime legereenheden naar strategische posities op de rand van het continent onder het mom van wetenschappelijke expedities en onderzoeksstations. Er werd ruzie gemaakt om het Antarctisch Schiereiland waar drie landen, Chili, Argentinië en Groot-Brittannië, aanspraak op maakten en om de Falkland Eilanden waar Argentinië en Groot-Brittannië ruzie om maakten. In 1982 was daar zelfs de Falkland-oorlog die werd gewonnen door Groot-Brittannië. Er is ook een soort van ‘landenindeling’ gemaakt van Antarctica (zie ook de kaart bij hoofdstuk 2).
In ieder geval is het nu rustig op Antarctica.. Al ruim 30 jaar geleden is er door 12 landen het ‘Antarctisch verdrag’ ondertekend, waarin staat dat het gebied als wetenschappelijk reservaat met rust moet worden gelaten en er geen militaire activiteiten op dit continent mogen plaatsvinden. Het in 1998 toegevoegde milieuprotocol maakt het ook nog onmogelijk om delfstoffen te exploiteren.
Op Arctica wordt, nadat het een tijdje rustig is geweest, geaasd op stukken land door omliggende landen. De landen rond de Noordpool hebben ontdekt dat er erg veel olie en gas onder de Noordpool ligt. Hier maken ze al een tijdje ruzie over. Waarschijnlijk wordt er niet echt gekeken wat voor gevolgen de exploitatie van grondstoffen zal hebben voor de Inuit. De Groenlanders zullen als er olie zal worden gedolven waarschijnlijk te maken krijgen met enorme olietankers waarmee vreslijke ongelukken kunnen gebeuren (zie Exxon Valdez volgend hoofdstuk). Weer aan de andere kant kan Groenland proberen economisch afhankelijk te worden van Denemarken, waar ze nu een deel van zijn.
Een paar maanden geleden is er ook een mogelijke landenindeling van de Noordpool gemaakt door wetenschappers. Rusland heeft zelfs een vlag geplant op de geografische Noordpool, op de zeebodem.
Landenindeling Arctica
Ook vaarroutes worden aantrekkelijk. Nu er steeds meer ijs smelt (zie volgend hoofdstuk) claimt Canada de noordwestpassage en Rusland de noordoostpassage. Vraag wordt of de passages echt van Canada en Rusland ´zijn´ of dat het eerder een internationale vaartroutes zijn. Canada is van plan zijn militaire aanwezigheid in het gebied te versterken, net als Rusland, terwijl Groenland de Noordpool zelf claimt.Het is politiek allemaal zeer ingewikkeld en we zullen zien wat er gaat gebeuren.
Hoofdstuk 8: Paniek op de polen
Al een paar decennia maakt men zich druk om het klimaat op aarde. De aarde zou volgens veel wetenschappers opwarmen. Ook de polen zouden hier het slachtoffer van zijn. Vooral de Noordpool staat dan vaak in de belangstelling; men zegt dat er al miljoenen kilometers ijs gesmolten zijn.
Verdedigers van de ‘Global Warming theorie’
Volgens de aanhangers van Global Warming, zoals dit ook wel genoemd wordt, gaat dat zo: IJs reflecteert zonlicht, het albedo-effect zoals ik eerder al noemde. Het zeewater ketst echter helemaal niks af. Als het zeewater warmer wordt, smelt het ijs aan de randen. Daardoor kunnen meer zonnestralen het water bereiken, waardoor nog meer ijs smelt. Zo belandt het zee-ijs in een neerwaartse spiraal. Ook zegt men dat het helemaal mis is met de gletsjers op Groenland, Alaska en Siberië en dat die in hoog tempo smelten. De opwarming zou volgens wetenschappers komen door ons eigen toedoen: door grootschalige landbouw en industrie, het verbranden van fossiele brandstoffen en het kappen de regenwouden. Het zou al gaande zijn sinds 1850, vanaf het moment dat de industriële revolutie begon.
Het gas dat het meest door ons in de atmosfeer wordt gebracht is cO2. Dat het warmer wordt komt volgens wetenschappers zo: De atmosfeer is een dunne laag lucht om de aarde Grafiek van de oplopende cO2 in de atmosfeer heen. De laag is zo dun dat mensen in staat zijn om dat laagje te veranderen. Met broeikasgassen kunnen we dat laagje dikker maken. Broeikasgassen zorgen ervoor dat de (gemiddelde) temperatuur op aarde nu ongeveer 15 graden is. Zonder de broeikasgassen zou die temperatuur -18 graden zijn. Nu pompen we juist nog meer gassen de atmosfeer in waardoor het warmer wordt. Door de grotere hoeveelheid cO2 in de atmosfeer kunnen de zonnestralen zon nu minder goed ontsnappen uit de atmosfeer, waardoor letterlijk het broeikaseffect ontstaat.
En schematisch weergave van het broeikaseffect
Wetenschappers zeggen dat effect van global warming nu ook duidelijk te zien is op Antarctica. Als argument geven zij het voorbeeld van de Larsen-B ijsplaat. Dit is een al duizenden jaren bestaande ijsplaat op het Antarctisch Schiereiland. In 2002 is deze heel plotseling uiteengevallen. Dit zou volgens hen één van de aanwijzingen zijn dat Antarctica sterk opwarmt en dat daarmee de ijskap wordt aangetast. Het oostelijke en westelijke deel zou bovendien veel sneller opwarmen dan men had gedacht, Verder zouden ook heel veel gletsjers aan het
Foto’s van het uiteenvallen van de Larsen-B ijsplaat
smelten zijn op het westelijke deel. Het gat in de ozonlaag boven Antarctica zal het opwarmen volgens wetenschappers nog eens versnellen.
Het rood gekleurde deel van Antarctica is sinds 1957 warmer geworden. Alleen een klein stukje in het midden (wit) heeft nog dezelfde temperatuur.
Tegenstanders van de ‘Global Warming theorie’
Tegenstanders van de opwarming van de aarde heten klimaatsceptici. Door hen wordt kritiek geuit op de verdedigers van global warming. Zij hebben vier voornaamste kritiekpunten:
1. De temperatuurreeksen die gebruikt worden zijn over een te korte tijd
gemeten om vast te kunnen stellen dat de temperatuur van nu afwijkt van natuurlijke natuurstijgingen.
2. Ze zeggen dat de opwarming niet het effect is van de broeikasgassen die wij
de lucht inpompen, maar het gevolg is van de hoge aanwezigheid van zonnevlekken in de periode 1940-2000.
3. Het IPCC (het Intergovernmental Panel on Climate Change, het grootste
station dat alle gevolgen van klimaatverandering op een rijtje zet, om de 4-5 jaar komt er een rapport uit) zou volgens hen niet onafhankelijk zijn en kritiek van sommige wetenschappers binnen het IPCC buiten beschouwing laten.
4. Sommigen zeggen dat je de uitkomsten van het IPCC moet relativeren, omdat
er over tienduizend jaar toch weer een ijstijd komt, volgens de natuurlijke cycli. Volgens hen is men dan misschien juist wel blij, omdat de mensen die dan leven zo een aangenamere ijstijd hebben!
Ook zeggen de tegenstanders dat juist veel gletsjers, nadat ze eerst een periode hebben doorgemaakt waarin ze kleiner zijn geworden, nu juist weer aangroeien. In Alaska worden volgens hen veel gletsjers weer groter, net zoals op Groenland en Noorwegen. Ook de gletsjers op het zuidelijk halfrond groeien: de twee grootste gletsjers op het zuidelijk halfrond (Antarctica buiten beschouwing gelaten), de Perito Moreno en de PIO XI groeien sterk. Volgens sommigen zouden alleen gletsjers in warmere gebieden aan het smelten zijn. Ik ben zelf nogal aan het twijfelen; dit onderwerp is zo ingewikkeld, ik weet niet wat ik moet geloven.
Andere bedreigingen
De poolgebieden worden nog op andere manieren bedreigd. Veel landen hebben tijden lang de Noordpool overbejaagd op dieren als walvissen, zeehonden en bontdieren, zoals ijsbeer en poolvos. Hoewel de jacht nu zwaar wordt gereguleerd is er bijvoorbeeld in Canada nog de jaarlijkse jacht op zeehonden, waar elk jaar honderdduizenden dieren worden gedood, en zijn er nog steeds veel illegale bedrijven die jacht maken op ze. Dat geldt ook voor de walvissen; Noorwegen, Japan en IJsland maken er nog steeds jacht op (Noorwegen tegen de regels in, net als IJsland, en Japan onder het mom van wetenschappelijk onderzoek). Ook overbevissing word bestreden. Nu er zoveel olie en gas is ontdekt onder het ijs van de Noordpool hebben Canada en Rusland al grote gas- en olieplatforms aangelegd en er zullen naar alle waarschijnlijkheid nog veel meer bijkomen. Dit zal leiden tot veel problemen met natuurorganisaties, die de ramp met de Exxon Valdez als voorbeeld geven. Dit was een boot die net weg was van een olieplatform en vol met ruwe olie zat. Om 0.04 uur ’s nachts liep de boot op de klippen, en miljoenen liters ruwe olie liepen voor de kust van Alaska in zee. Duizenden zeevogels, otters, robben en zeehonden vonden de dood. Het was de grootste milieuramp uit de geschiedenis van de VS. Er zijn ook veel lekken in Siberië. Er is uitgerekend dat de in 20 jaar tijd weggelekte olie in Jamal-Nenets (een oblast in Siberië, een soort provincie), zich heeft verspreid over een gebied van 6200 km2, waarbij de helft van de vegetatie in dat gebied vernietigd is.
Een andere bedreiging voor de poolgebieden is het toerisme. Steeds meer mensen reizen naar de polen, bijvoorbeeld ‘om het ijs te zien smelten’. De reizen zijn weliswaar nog duur en de bezoekers meestal goed opgeleid en milieubewust , maar er is toch al heel veel afval achtergelaten. Met name op Antarctica is dit een nog groter probleem dan waar dan ook op aarde, want door de grote droogte verteerd materiaal veel minder snel. Een appel doet er bijvoorbeeld vijftig jaar over om te verteren! Vandaar dat al in 1961 een verdrag werd getekend door de 47 landen van de Raad voor Antarctica, waarin werd vastgelegd dat Antarctica alleen voor ´wetenschappelijke en vreedzame doeleinden´ gebruikt mag worden. In april maakte Hillary Clinton bekend dat er op hun vergadering weer nieuwe voorstellen zijn gedaan om het aantal bezoekers per jaar te beperken.
Ikzelf vind dat er alles aan gedaan moet worden om te voorkomen dat deze prachtige, unieke gebieden verdwijnen!
Nawoord
Ik heb op veel vragen die ik heb gesteld, een antwoord gevonden. Het werkstuk was echt ongelooflijk leerzaam voor me. Ik ben ontzettend te weten gekomen over de poolgebieden, nog veel meer dan ik hier heb kunnen beschrijven.
Het onderwerp vond ik heel boeiend, soms zo interessant dat ik afdwaalde naar van alles en nog wat over de poolgebieden op het internet. Zulke mooie natuur zou ik heel graag eens in het echt zien!
Wel vond ik het moeilijk om me een mening te vormen over het broeikaseffect. Dat is een heel ingewikkeld onderwerp, waar zelfs de meest geleerde mensen niet uitkomen.
De zoektocht naar informatie is goed gelukt en het werkstuk was heel leuk om te maken!
Spegazinni gletsjer Patagonisch ijsveld
Literatuurlijst
A. Gore Een ongemakkelijke waarheid,
Meulenhof, Amsterdam, 2007
J. Ives & D. Sugden Poolgebieden,
Zuid/Hollandse Uitgeversmaatschappij,
Weert, 1994
S. Kroonenberg De menselijke maat,
Atlas, Amsterdam-Antwerpen, 2006
S. Morgan Klimaatverandering,
Corona, Harmelen, 2000
National Geographic Mei & april 2009
NRC Handelsblad Diverse artikelen
B. Stonehouse Noordpool/Zuidpool,
Tirion, Baarn, 1991
Internet: Heel veel verschillende sites waaronder: www.wikipedia.nl www.groenerekenkamer.nl www.nrc.nl www.nsidc.org (National Snow and IceData
Center)