VOC - Laurens
Uit Lorentz
De Verenigde Oost-Indische Compagnie
Laurens Engwegen
De Lorentzschool
Groep 8a
4 Juni 2009
Voorwoord
Mijn meesterproef gaat over de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik op school een keer een les heb gehad over de VOC en dat vond ik erg interessant. Ik heb het onderwerp ook gekozen, omdat ik een heel leuk boek heb gelezen wat over de VOC ging en dat was heel leuk en spannend. Ik wil dus graag meer weten over de VOC en ik denk dat dat met dit werkstuk wel zal gaan lukken.
Inhoud |
De oprichting
VOC betekent Verenigde Oost-Indische Compagnie. De VOC heeft 2 eeuwen bestaan en is opgericht op 30 Maart 1602. De VOC was een compagnie die handel dreef in Azië. De VOC was in de 17e en 18e eeuw het grootste handelsbedrijf ter wereld. De Verenigde Oost-Indische Compagnie bestond uit 100 schepen, 1000 werknemers en meer dan 30 gebouwen in Azië.
De VOC had in Nederland 6 kantoren:
1 kantoor in Amsterdam
1 kantoor in Zeeland
1 kantoor in Rotterdam
1 kantoor in Delft
1 kantoor in Hoorn
1 kantoor in Enkhuizen
Het eerste handelsschip van de VOC voer in 1603 de haven van Amsterdam uit. De schepen hadden heel veel wapens aan boord, want ze moesten niet alleen handel drijven, maar ze moesten ook zoveel mogelijk schade proberen te brengen aan de Portugezen. De Portugezen hadden toen namelijk ook een groot handelsbedrijf (daar vertel ik in het volgende hoofdstuk meer over.). De eerste vloot had gelijk de Portugezen weggejaagd van Ambon en dus werd de stad in Nederlands-Indië van de VOC. Dit was het eerst stukje grond van de VOC. Daardoor werd de VOC al gelijk een stuk groter. Dit was dus de eerst stap naar een wereldwijde handel in kruidnagelen.
Hieronder kun je zien over hoe een groot deel van de wereld de VOC voer.
Nog voor de VOC en producten
Sinds het begin van de zestiende eeuw waren de Portugezen de baas over de Europese specerijen. Schepen vol specerijen, met als belangrijkste product peper, kwamen jaarlijks in Lissabon aan. Het contract was van de Portugese koning. De koning verkocht de peper met heel veel winst weer door aan andere landen of kooplieden. De Portugese handelaren mochten in Azië over handelen waar ze wilden, ze konden zelf met de bevolking prijzen bepalen en onderhandelen. Maar in Lissabon moesten de kooplieden de peper voor een vaste prijs verkopen. De prijzen stonden in een contract, het ‘’Indisch pepercontract’’. De koning van Portugal had zelf ook een contract, het ‘’Europese pepercontract’’. De kooplieden in Europa verkochten de peper voor een erg hoge prijs weer door aan de Europese bevolking. Nederlandse kooplieden hadden hierdoor veel geld verdiend. In 1591 hadden rijke bankiers en kooplieden uit vooral Antwerpen, Duitsland, Italië, Spanje en Portugal het ‘’Europese pepercontract’’ maar nog niet uit Nederland. Deze kooplieden hadden in bijna alle grote havens in Europa een soort hulpjes waardoor zij ook de verkoop van specerijen een beetje beheersten. Ook op een moment dat de verkoopprijzen van de producten uit Azië heel erg stegen. De Portugezen hadden namelijk erg veel moeite met hun schepen op tijd weer uit Azië te varen en er lagen overal Engelse schepen. En daardoor gingen de prijzen erg omhoog. Door de hoge prijzen die er toen waren kon je als kooplied veel geld verdienen, maar nog niet voor de Nederlanders. Dus gingen de Nederlanders op zoek naar dingen waardoor zij ook meer macht konden krijgen. Dat lukte goed, want de mensen konden goed aan geld komen. In de handel, scheepvaart, nijverheid (dat is handwerk), akkerbouw, veeteelt en visserij verdienden de mensen veel geld. Hollandse vrachtvaarders vervoerden grondstoffen (bijv. hout) en levensmiddelen (bijv. tarwe) vanuit het gebied bij de Oostzee naar Europa. In Leiden verdienden de mensen veel geld met de grote textielnijverheid (dat is werken met stof, zoals katoen en linnen).
De belangrijkste handelsproducten voor de VOC waren: kruidnagelen, muskaatnoten en foelie, kaneel, rijst, koffie, thee, suiker, opium, goud en zilver, koper, tin, porselein, olifanten, zijde, effen en gestreepte kleden en gedecoreerde kleden en het allerbelangrijkst was peper.
De schepen
Het schiptype dat de VOC het vaakst gebruikte om naar Azië te varen was het spiegelretourschip. Zo een spiegelretourschip was gemiddeld 40 meter lang. Dit is zo een schip:
De Batavia
1. Vrachtruim. Onderin het schip was het vrachtruim.
2. Koebrugdek. In een vrachtruim kon een koebrugdek. Het
Koebrugdek (dat niet in ieder schip zat) kon worden gebruikt om bemanningsleden en specerijen in op te bergen.
3. Overloopdek. Het overloopdek sloot het vrachtruim van bovenaf. Hier stonden de kombuis en de bottelarij. Het overloopdek was de belangrijkste verblijfplaats voor de bemanning.
4. Verdek. Aan de achterkant van het verdek bevond zich de stuurplecht en aan de voorkant het bakdek.
5. Stuurplecht. Het schip werd bestuurd vanaf de stuursplecht. In het begin met een kolderstok en later met een stuurrad.
6. Kajuit. Een kajuit is de hut waar de bemanningsleden sliepen.
7. Half- of kampanjedek. Het bovenkampanjedek werd het half- of kampanjedek. In de tropen moest er een grote doek overheen gehangen worden in verband met de zon.
8. Bovenkampanjedek. Aan de achterkant van het schip was een hoog deel. Het bovenkampanjedek. Onder het bovenkampanjedek waren de kapiteinshut, de officiershutten en de kajuit.
9. Bakdek. Op dit deel van het schip sliepen de bemanningsleden ook.
10. Galjoen. Aan het stevige, uitgestoken gedeelte aan de voorkant van het schip (het galjoen) konden andere schepen zien dat ze Oostindiëvaarders waren.
11. Boegspriet. Op de boegspriet kon, als het nodig was, 2 extra zeilen geplaatst worden.
12. Fokkemast. De fokkemast was een erg belangrijke mast.
13. Grote mast. De grote mast was de allerbelangrijkste mast.
14. Bezaansmast. De bezaansmast stond op het bovenkampanjedek.
Het bouwen van een spiegelretourschip kostte gemiddeld 5 tot 8 maanden, het kostte heel veel geld, namelijk: f 90.000 tot f 110.000. Een schip ging ongeveer 15 jaar mee.
Elk jaar stuurde de VOC ongeveer dertig schepen naar Oost-Azië om daar handel te kunnen drijven. Veel van die schepen werden in Nederland gebouwd. Sommige schepen waren gemaakt om in Azië gebruikt te worden (dus die konden dan niet meer terug naar Nederland varen.). De schepen die wel terug konden varen werden retourschepen genoemd. Daarom werd de Batavia (een bekend VOC-schip) ook wel het VOC-retouschip genoemd. De VOC bouwde ook kleinere schepen zoals: de hoeker, het galjoot, het jacht, de pinas en het fluitschip.
Niet alle schepen van de VOC voeren naar het eiland Java. De VOC voer ook veel naar andere landen in Azië zoals: Ceylon, India en Perzië.
Hier zie je een afbeelding van een schip:
Bemanningsleden
De bemanningsleden van de VOC waren bijna altijd mensen die op de straat rondzwierven en maar meegingen om geld te verdienen (maar veel geld verdiende ze er niet aan.) of het waren mensen die in een verbetertehuis zaten omdat ze mensen hadden beroofd of omdat ze hadden gevochten. Het konden ook mensen zijn die wel een thuis hadden maar bijna niks te eten hadden. En zo waren er heel veel manieren.
Op het schip hadden de bemanningsleden het meestal erg slecht. Als ze niet luisterde of in opstand wouden komen kregen ze geselslagen. (een geselslag is hetzelfde als een zweepslag.)
Hier zie je hoe een van de bemanningsleden gegeseld wordt.
Het kon ook zo zijn dat mensen stierven aan scheurbuik. Scheurbuik krijg je als je te weinig vitamine C in je lichaam hebt. Het enige wat toen hielp was wachten tot ze aan land kwamen en weer fruit hadden. Ongeveer de helft van de hele bemanning haalde het eiland waar ze naar toe voeren niet. In een boek dat ik heb gelezen, met als titel Bloedgeld, werd verteld over een man die in opstand wou komen tegen de schipper, omdat de schipper zo slecht was, maar toen hij daarover sprak kwam de onderstuurman net aanlopen en die hoorde dat en toen kreeg de man 40 geselslagen. Na die geselslagen lag er allemaal bloed op het dek en de man was dood.
Rechten van de VOC
De VOC had vier rechten. Dat waren:
1. Handelsrechten
2. In- en uitvoerrechten
3. Rechten op de kuststreken
4. Alleenrecht
Wat betekenen deze rechten:
Met het handelsrecht mocht de VOC handel drijven. Door het hebben van in- en uitvoerrechten mocht de VOC producten uit andere landen invoeren of producten naar andere landen exporteren. Daarbij profiteerde de VOC ook nog van uitvoerrechten die door andere koopvaarders aan de VOC moest worden betaald. Het recht op de kuststreken heeft de VOC gekregen doordat de VOC een oorlog won tegen Kandy (dat is een stad in het midden van Sri Lanka). Hierdoor kreeg de VOC ook de belangrijkste producten van kaneel in handen. Het alleenrecht betekent dat de VOC als enige van de wereld handel mocht drijven met Azië. Dit recht had de VOC gekregen van de Staten-Generaal (dat is het parlement, of ook wel de Eerste en Tweede Kamer.).
Verval en ondergang
Na de machtige periode van de VOC, kwam er een periode van achteruitgang en verval. Het is niet helemaal duidelijk hoe het kwam dat het minder goed ging met de VOC. In de 18e eeuw kwamen er veel veranderingen in de handel tussen Europa en Azië, maar toen ging het toch nog goed met de VOC. In Azië pakten veranderingen in de handel slecht uit voor de VOC. Bijvoorbeeld: Japan maakte strenge voorwaarden voor de handel en verbood de export van zilver. In Perzië werd de handel van de VOC door oorlog en problemen in het land moeilijker. De uitgaven in Azië gingen omhoog. Toch bleef de handel in Azië nog tot 1760 goed lopen. Daarna ging het slechter. Dat kwam vooral doordat de Engelse in India steeds meer macht kregen, waardoor de VOC minder te zeggen had over de inkoop van bijvoorbeeld textiel en andere grondstoffen.
In Europa kreeg de VOC steeds meer concurrentie. Aan het eind van de 18e eeuw raakte de VOC in ernstige geldnood. In 1795 had de VOC van boven de 100.000.000 gulden. De VOC is niet meer uit deze crisis gekomen.
Het einde van de VOC
In 1795 werd Batavia, als bondgenoot van Frankrijk, de tegenstander van Engeland. Daardoor gingen de bezittingen van de VOC in Azië snel verloren. Alleen nog in China en Japan bleef Nederland nog handeldrijven. Ook in de Archipel gebeurde dat nog. De Engelsen hadden Java omsingeld en in 1811 hadden ze het ook veroverd, zodat de VOC ook daar niet meer handel kon drijven.
Ook in Nederland had de VOC het al opgegeven. De oorlog met de Engelsen ging zelfs zo ver dat alle retourschepen werden gekaapt dus kreeg Nederland geen geld meer binnen. In 1799 was de VOC definitief gestopt.
Wat heeft het Nederland eigenlijk opgeleverd?
De VOC heeft veel voor Nederland betekend. De VOC heeft Nederland bijvoorbeeld veel kennis gegeven over het bouwen van schepen. Ook heeft de VOC bijna heel Azië op de kaart gezet. Tenslotte heeft de VOC een groot deel van de gouden eeuw veroorzaakt!
EINDE VAN DE VOC
Nawoord
Ik heb heeeel erg veel van dit werkstuk geleerd. Ik weet nu hoe erg het er aan toe ging in een schip, hoe de VOC ten onder ging en nog veel meer.
Ik kwam alleen wel een beetje in tijdnood, omdat ik niet een echte planning had gemaakt. Uiteindelijk heb ik (na 1 dag keihard werken) het toch nog op tijd afgekregen!!! Ik hoop dat het leuk was om te lezen.
Bibliografie
Ik heb de volgende bronnen gebruikt:
www.scholieren.com
www.wikipedia.nl
www.google.nl/voc
www.voc-kenniscentrum.nl
Titel: De kleurrijke wereld van de VOC
Auteur: Leo Akveld
Uitgeverij: TOTH
Uitgegeven in: 2002
Titel: De Verenigde Oost-Indische Compagnie
Auteur: Meine Breemhaar
Uitgeverij: AO
Uitgegeven in: 2002
Titel: De geschiedenis van de VOC
Auteur: Femme S. Gaastra
Uitgeverij: Walburg Pers
Uitgegeven in: 1991